Страница 1 из 3
Jean Toomer
Bloedbrandende maan
1
Uit de afbrokkelende stenen muren, uit de verrotte vloerplanken en de zware met de hand gehouwen eikenbalken van de vooroorlogse katoenfabriek kwam de avondschemer op. Uit de schemer kwam de volle maan op. Zij gloeide als een brandend blok de
Louisa zong terwijl ze over de heuveltop kwam, bij de keuken van haar blanke bazen vandaan. Haar huid had dezelfde kleur als de bladeren van jonge eikenbomen in de herfst. Haar borsten waren stevig en pront als rijpe eikels. En haar zingen klonk als het zachte ruisen van de wind in vijgenbomen. Bob Stone, de jongste zoon van de mensen voor wie ze werkte, hield van haar. Het leek erop dat hij haar had veroverd — tenminste, zoals de wereld het zag. Het leek erop dat hij haar had veroverd, als je wist van die warmte die ze in haar gedachten voelde als ze aan hem dacht. Tom Burwell, die door het hele dorp Big Boy werd genoemd, hield ook van haar. Maar omdat hij de hele dag op het land moest werken, en dat ook nog eens ver bij haar vandaan, had hij het haar nog nooit ku
Ze voelde een vreemde opwinding. Gemakshalve probeerde ze Bob of Tom als oorzaak daarvan te zien. Een ontmoeting met Bob in het suikerrietveld, zoals over een uur weer zou plaatsvinden, was niets vreemds. En het aanzoek van Tom dat ze voelde aankomen kon ook wel weer worden uitgesteld. Apart beschouwd was er aan geen van beiden iets bijzonders. Maar om de een of andere reden raakten ze, terwijl ze afwezig naar de opkomende maan keek, met elkaar verward. En uit die verwarring kwam haar vreemde opwinding. Haar lippen trilden. Het trage ritme van haar lied werd grillig en onrustig. Bruin- en geelzwart gevlekte honden, die in de donkere hoekjes van de veranda’s lagen of rondsnuffelden in de achtertuinen, staken hun neuzen in de lucht en vingen de trilling in haar lied op. Ze bego
Rode nikkermaan. Zondaar!
Bloedbrandende maan. Zondaar!
Kom die fabrieksdeur door.
2
Uit de diepe schemer van een open plek aan de rand van het bos kwam een zachte gloed op, die in de laaghangende hemel uitwaaierde. En overal was de lucht zwaar van de geur van kokend rietsuiker. Een grote berg rietstengels lag als een verzameling aan flarden gescheurde schaduwen op de grond. Ingespa
Oude David Georgia lette op zijn kookkachel en vertelde aan de ma
“Moest je mij hebben, Tom?”
“Ja, da’s wa‘k wilde, Louisa.”
“Nou, hier ben ik —”
“Ja, en ik ook, maar ’t maakt toch niks uit.”
“Wilde je iets zeggen…?”
“Dat wilde ’k zeker. Maar woorden is als de rondjes op ’n dobbelsteen: ’t maak nie uit hoe je d’r mee knoeit, soms komen ze g’woon nie. ’k Weet nie waarom. Lijkt d’r op dat m’n liefde voor jou m’n tong heb gestolen. Nou heb ’k ’m weer. Sjonge! Louisa, schat, ’k zou ’t je nie moeten vertellen; ’k voel da’k ’t nie moet doen omdat je nog zo jong ben ’n naar de kerk ga ’n ik heb andere meisjes gehad, maar Louisa ’k hou echt van je. Lief kind, ’k heb je gezien sinds dat je hier voor ’t eerst voor de deur ’n voor de put zat en soms zong dat m’n hart zowat gebroken was. ’k Heb je meegenomen naar ’t veld, elke dag en nog vaker, en ’k kan ploegen als jij er ben en ook katoenplukken. Ja m’neer! Bijna Barlo op z’n mieter gegeven gister. Da’ deed ’k zeker. Ja m’neer! En volgend jaar heb ’k m’n eigen boerderij als ouwe Stone me vertrouwt. M’n eigen. M’n eigen balen ku